Herinvesteringsreserve (HIR): de (on)mogelijkheden

De belastingheffing over de winst bij verkoop van een bedrijfsmiddel kan uitgesteld worden indien dit geld besteed wordt voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel. De herinvestering hoeft niet direct uitgevoerd te worden. U moet maximaal drie jaar na het einde van het boekjaar waarin de verkoop heeft plaatsgevonden een vervangend bedrijfsmiddel hebben aangeschaft. Deze Herinvesteringsreserve wordt op de aanschaf afgeboekt. Er moet een onafgebroken vervangingsvoornemen gelden in die periode. De bewijslast van dit voornemen ligt bij de onderneming. Bij een BV berust dit op een directiebesluit. Het voornemen tot herinvestering moet bestaan bij de BV die het Herinvesteringsreserve heeft gevormd. Binnen een concern kan een andere concern- BV dus niet de HIR afboeken op een aangeschaft bedrijfsmiddel. Zie hier de rechtspraak.

Echter indien alle vennootschappen in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting zijn opgenomen, kan dit weer wel. Daarnaast heeft de Hoge Raad recent, zie hier de rechtspraak, de toepassing van de Herinvesteringsreserve ook ‘opengesteld’ voor de situatie dat in een specifiek geval de panden van de BV werden verkocht aan de DGA en zijn kinderen. Vanaf het arrest van 18 maart 1970 kon volgens de Hoge Raad geen HIR gevormd worden door in feite de besmette relaties tussen de BV en de aandeelhouder annex familie. In het arrest van 16 september jl. is de Hoge Raad ‘omgegaan’ en kan de HIR wel gevormd worden. Uiteraard blijven de overige voorwaarden voor de HIR in stand.

Voor meer informatie over het optimaal benutten van de herinvesteringsreserve kunt u contact met ons opnemen.

Bron: www.auxiliumadviesgroep.nl

No Comments Yet.

Leave a Comment

Message